Contact voor heel even 

Daar zit ze dan, aan tafel bij het raam. Ogenschijnlijk niets aan de hand. Ziet er fit uit voor haar 70 jaar. In haar kamer is het gezellig gemaakt met foto’s van kinderen en kleinkinderen. Tegen de wand staat een antieke klok. 

Onder haar handen ligt een krant. Ze strijkt het glad en verfrommelt de voorste pagina. Dit verraadt haar achteruitgang. Deze zo fit uitziende dame heeft een vorm van dementie. Steeds minder begrijpt ze van de dingen om haar heen. Herkent familie niet meer en weet veel handelingen niet meer uit te voeren. 

Als de verzorgende haar wil helpen met douchen en aankleden begrijpt ze vaak niet het hoe en waarom. De uitleg zegt haar niets meer. Werkt daardoor vaak tegen en zegt dat ze het niet wil. Het is een uitdaging voor de verzorgende om het toch voor elkaar te krijgen dat mevrouw weer netjes in de kleren zit. 

Dementie wat een vreselijke iets is dat toch. Niet meer weten wie de mensen om je heen zijn, niet snappen wat ze van je willen, ook niet als ze het beste met je voor hebben.Argwanend kijken naar wie er nu weer je kamer in komt lopen en je naam kent. 

Ik kom tegen de ochtend bij mevrouw langs om te controleren of mevrouw verzorging nodig heeft. Zoals altijd houdt ze haar dekbed stevig vast. Ik buig me voorover, mijn haar valt voor mijn ogen. Ze lacht en strijkt de lokken uit mijn gezicht. We hebben echt contact voor heel even. Wat een mooi moment. 

En met tegelijk een glimlach en tranen in mijn ogen loop ik zwaaiend haar kamer uit. “Dag hoor!”, zegt ze en zwaait terug. 

  

Hulpgeroep 

Het is 1 uur ‘s nachts en ben ik bijna op kantoor om even koffie te drinken als mijn telefoon gaat. Mijn collega aan de andere kant van de lijn vertelt dat, op een adres vlakbij waar ik op dat moment ben, iemand heeft gewaarschuwd omdat hij zijn buurman om hulp hoort roepen. 

Op de alarmeringslijst staat dat de sleutelcode niet bekend is, dus daar schiet ik niets mee op. Ik besluit er heen te rijden om de situatie te bekijken. Het blijkt te gaan om een appartement op de tweede etage. En als ik voor de deur sta hoor ik niemand roepen. 

Ik bel aan bij de buurman welke het aan ons had gemeld dat hij om hulp hoorde roepen. Deze buurman vertelde me dat tot een kwartier geleden hard om hulp en om een zuster werd geroepen. En nu is de man dus gestopt met roepen. 

De vraag is of er echt iets aan de hand is. Meneer kan gevallen zijn en niet meer in staat zijn te roepen, het ernstigste scenario wat ik kan bedenken. Maar ja kan ook “gewoon” zo zijn dat meneer in de war is. Daarom aan het roepen was en dan nu in slaap gevallen. En in dat laatste geval zou verdere actie van mij niet nodig zijn. 

Wat moet ik doen? Ik vraag de buurman of ik via zijn balkon mag kijken of ik iets kan zien in het appartement. Zal ik er even over heen klimmen? , vraagt de man. Hij ziet er uit als een fitte 60-er dus ja waarom niet. Oh wacht twee hoog hè lag dit appartement. Ik durf bijna niet te kijken en heb ongelooflijk spijt dat ik spontaan ja zei. 

Het gaat gelukkig goed en door de vragen van deze behulpzame buurman horen we de man in het appartement zeggen dat hij hulp nodig heeft en niet kan lopen. Helaas de sleutelcode weet hij niet en de balkondeur zit ook op slot. De buurman klimt weer terug en wat dat betreft kan ik weer opgelucht ademhalen. Maar feit blijft dat ik nog steeds buiten sta en meneer binnen om hulp vraagt. 

Er zit niets anders op dan de politie te bellen. Zij kunnen beslissen of de deur eventueel moet worden open gebroken of dat er wordt afgewacht. Ik ga naar beneden om de politie op te wachten. Binnen 10 minuten zijn ze gearriveerd en ik leg kort de situatie uit. 

De agenten lopen met me mee naar de tweede etage. Boven vragen ze mij of ik de sleutelcode heb. Eh nee want dat had ik jullie niet hoeven te bellen he? De agent kijkt me aan en ik kan niet anders dan constateren dat het de man aan humor ontbreekt op dit tijdstip. 

De agent besluit net zoals de buurman over het balkon te klimmen. En ik? Ik hou mijn ogen maar weer even dicht. “Hallo meneer, hoe gaat het met u? Ik ben van de politie.” Dat was kennelijk het sleutelwoord want de man roept de sleutelcode naar de agent. 

Ik loop naar de voordeur samen met de andere agent. Ik toets de code in en  als de deur opengaat ben ik benieuwd wat ik binnen aantref. Gelukkig ligt meneer in bed maar het is mij duidelijk dat hij wel wat hulp kan gebruiken. Ik stel een aantal vragen om zo de hulpvraag verder vast te kunnen stellen.  

Terwijl we met dhr in gesprek zijn horen we achter het gordijn iemand op het raam tikken. De agent doet het gordijn open en daar staat zijn collega. Oh ja verhip die was op het balkon geklommen en dat was ik echt vergeten. Voor mij was de client prioriteit uiteraard maar dat de agent door zijn eigen collega werd vergeten leverde mij toch echt even de slappe lach op. Gelukkig kon ik me verschuilen in de zorgmap. 

De agenten nemen afscheid en vervolgen hun dienst. Ik verzorg meneer en schrijf een rapport. Straks terug op kantoor zal ik de planning vragen om zorgmomenten voor de nacht in te zetten. Deze man kan niet de hele nacht alleen zijn. 

Enigszins opgelucht en weer een nieuwe ervaring rijker rijd ik, veel later dan op de planning staat, naar de volgende client. 

  

Communiceren via een kladblok

Een kladblok naast zijn bed, eentje in het tasje aan zijn rolstoel en nog een tussen de armleuning van zijn rolstoel geklemd. Meerder pennen in zijn borstzak, in het tasje en uiteraard ook naast zijn bed. Niets aan toeval overlatend wat dit betreft. Pen en papier betekenen communicatie met anderen. 

Enige weken verblijft meneer nu in het verpleeghuis ter revalidatie. Hij is thuis gevallen en komt herstellen van de gevolgen daarvan omdat alleen thuis zijn nu even geen optie is. Meneer is blij om hier te zijn en vindt het heerlijk een praatje te maken met iedereen. 

Meneer heeft een cochleair implantaat. Dit is een elektronisch implantaat dat geluid omzet in elektrische pulsen die de gehoorzenuw in de cochlea (of slakkenhuis) direct stimuleren. Een microfoon bij meneer om zijn nek zorgt ervoor dat hij ons kan verstaan. 

Helaas merken wij dat meneer ons steeds slechter verstaat en we wisselen wat vaker de batterijen van de microfoon. Kijken of alle snoertjes vastzitten enz maar dit alles zonder resultaat. Dus wordt er een afspraak gemaakt bij de KNO arts voor reparatie. 

Vandaag is meneer naar het ziekenhuis geweest en ik tref hem ‘s avonds in zijn rolstoel op de gang. Hij huilt en geeft mij zijn kladblok en pen. Ik schrijf: “Hoe was het bij de arts?” Meneer kijkt me aan en leest daarna hardop mijn vraag. Hij schud zijn hoofd, haalt zijn schouders op en maakt een verslagen indruk. 

Hij vertelt me dat hij te horen heeft gekregen dat het implantaat door de val schade op heeft gelopen en het nu echt niet meer doet. Met die conclusie komt een eind aan het horen voor meneer. Tranen lopen over zijn wangen. Nooit meer een echt gesprek voeren en nog erger zo vertelt hij me, nooit meer de stem van zijn dochter horen. 

Jeetje hoe kan ik deze man nou troosten? Hij is in een klap iets kwijt waar hij zoveel waarde aan hecht, het praten en luisteren naar elkaar. Wat moet ik tegen hem zeggen? 

Ik pak het kladblok en schrijf: “Ik weet echt op dit moment niet wat ik tegen u kan zeggen.” En net zoals daarnet pakt hij het kladblok en leest mijn woorden hardop voor. Hij kijkt me aan en zegt: “Ach kind dat maakt niets uit, ik kan het toch niet horen!” 

Door zijn tranen heen een enorme glimlach en ook ik kan mijn lachen niet inhouden. Lachend duw ik zijn rolstoel door de gang. Een borrel lijkt me hier wel op zijn plaats dus die gaan we samen halen! 

  

Mevrouw Z zorgt ook voor mij

Mijn avonddienst is net begonnen en na de overdracht loop ik mijn eerste ronde in het verpleeghuis op de somatische afdeling. Als ik de kamer van mw Z inloop begroet ze me met een lach en wijst ze me op een boek op haar nachtkastje. Deze heeft ze net uit en is echt iets voor mij zegt ze. 

Ik pak het boek op, bekijk de omslag en lees de achterkant. Ik maak er uit op dat het een boek is met een beetje absurde humor. Mw Z kent me goed en het gebeurt wel vaker dat ze een boek voor me te leen heeft. Ze heeft het dan eerst zelf met enige moeite gelezen. Een boek vasthouden is best zwaar voor haar maar ze geniet zo van de woorden, zinnen en verhalen dat ze daar alles voor over heeft. 

Ik help haar uit bed met de tillift en breng haar naar het toilet. Daarna kam ik haar haar, doe haar gehoorapparaten in haar oren en poets haar bril schoon. Het is fris dus help ik haar ook nog in een vestje. Allemaal dagelijkse, voor ons normale dingen die mw niet meer zelf kan. Ze is afhankelijk van anderen om dit voor haar te doen. 

Ze is blij met bekende gezichten maar ze treft ook vaak onbekenden, uitzendkrachten, die maar voor 1 dag of avond komen helpen. Mw klaagt hier nooit over maar aan haar blijdschap, als ze een bekend gezicht haar kamer in ziet lopen, merk je hoe belangrijk dat voor haar is. “Fijn dat je er bent, breng jij mij vanavond ook naar bed?” Die bevestiging en zekerheid zou ik haar graag geven maar helaas kan ik dat niet.  

Ik rijd mevrouw in haar rolstoel naar de huiskamer, schenk een kop thee in haar speciale beker en geef haar het boek aan wat ze nu aan het lezen is. Ik beloof haar het boek wat op haar kamer ligt mee te nemen en te lezen. En zoals dat meestal gaat zal ik iedere dag vertellen wat ik heb gelezen en wat ik ervan vond. 

De komende dagen lachen we samen om het boek. Ook als ik “aan de andere kant” werk loop ik even langs. Ze heeft het bij het juiste eind. Het boek is echt wat voor mij. En we herhalen samen de grappen. En als ik haar kamer uitloop dan krijg ik steevast te horen: “Vergeet je niet je snoepje uit de trommel te pakken?” 

Een week later heb ik nachtdienst, het boek heb ik uit en leg het zachtjes terug op haar kamer met een briefje erbij voor haar. Halverwege de nacht is ze wakker, wil nog even weten hoe ik het einde van het boek vond en valt dan met een glimlach in slaap. 

De volgende nacht is mevrouw nog wakker als ik mijn ronde loop. “Doe mijn kastje eens open en kijk even op de onderste plank.” Ik zie daar een klein doosje met mijn naam er op. In het doosje zitten twee bonbons. Mevrouw kijkt me stralend aan vanuit haar bed. Die zijn voor jou gewoon omdat je altijd vrolijk bent en ik blij word als je er bent. 

Emotionele muts als ik ben moet ik even mijn tranen wegslikken. Ik doe “gewoon” mijn werk en deze vrouw is afhankelijk van de hulp van anderen. En toch zorgt ze voor mij. Dit betekent veel meer voor me dat mevrouw ooit heeft kunnen vermoeden. 

Die nacht huppel ik over de gang en wat er ook gebeurt mijn humeur kan echt niet meer stuk. 



Oud, versleten maar nog niet op

98 is ze, bijna 100. Ze rekent het nog even voor me uit. In 1917 geboren, wat een leeftijd. Vanuit het bed kijkt ze me aan met mooie helderblauwe ogen en een glimlach om haar mond. 

Terwijl ze mijn hand vasthoudt, vertelt ze me dat ze vorige week nog in de stoel zat bij het raam. Zo kon ze iedereen aan zien komen. Niet dat ze veel bezoek krijgt maar ja dat snapt ze wel. Haar kinderen hebben het druk met eigen kinderen en kleinkinderen. En ja de kinderen zijn natuurlijk ook al oud. De oudste is 78. 

Vol bewondering kijk ik naar haar. Wat is deze vrouw oud, zelfs haar kinderen zijn bejaard en de kleinkinderen van middelbare leeftijd. En nog zo “bij de tijd”. De krant ligt naast haar bed, duidelijk helemaal gelezen gisteren. Op tafel ligt het boek “De 100-jarige man die uit het raam klom en verdween”. Zou ze zich er in hebben herkend? 

Ik vraag het haar niet maar kijk naar haar. Ze is zo moe maar slapen lukte niet vannacht. Hoe laat is het? Bijna 6 uur antwoord ik. Ze zucht en kijkt me lang aan. Ik wrijf over haar arm en besluit nog heel even te blijven. Mevrouw  houdt heel stevig mijn hand vast. Het is me duidelijk dat ze het fijn vindt dat ik er ben. En ik heb wel even tijd, iets wat er helaas in de zorg niet vaak meer is. 

Hoe lang duurt het nog, vraagt ze mij. Oh nog een uurtje, zeg ik, er heilig van overtuigd dat mevrouw bedoelt wanneer de dagzorg komt. Ik zie een brede lach op haar vermoeide gezicht en haar ogen twinkelen. Ach meisje je bent nog zo jong, dit begrijp je vast niet maar ik bedoelde het anders. 

Ik ben oud, versleten maar blijkbaar nog niet helemaal op en ik vraag me iedere dag af hoe lang het nog duurt voor ze me komen halen. Ineens drinkt het tot me door wat mevrouw bedoelde. Hoe lang duurt het nog, hoe lang moet of mag ze nog leven. 

Mevrouw dat is de moeilijkste vraag die u me kunt stellen en tegelijk een hele mooie. Zoals u omschrijft dat het op is omdat op de stoel zitten niet meer lukt, dat de wereld dan zo klein geworden is als de afmeting van het bed. Ik snap ineens dat het leven opeens echt geleefd kan zijn. 

Wat een vertrouwen heeft deze vrouw in mij dat ze me die vraag durft te stellen. Ik antwoord dat ik dat echt niet weet maar dat ik hoop dat het voor haar komt op het moment dat ze dat wenst. We hebben het niet voor het zeggen. En op die laatste zin antwoord ze met “gelukkig maar”. Niet alles weten is een groot goed. 

Ik knik en strijk haar haren uit haar gezicht. Ik voel tranen prikken in mijn ogen. En ik voel dat ze me even in mijn hand knijpt. Ga jij nu maar slapen meisje, fijn dat je er even was. Ik wens mevrouw een prettige dag, leg haar kussens nog even goed en ga de kamer uit. 

Wat een mooi beroep heb ik toch om zo dicht bij mensen te mogen staan. En ondanks het zware onderwerp ga ik blij naar huis. 





Dhr P is in de war. Wat nu?

De alarmeringstelefoon gaat. Ik neem op en aan de andere kant van de lijn een ambulanceverpleegkundige. Zij zijn opgeroepen door de buren van dhr P. Deze buren hadden meneer horen roepen en dachten dat hij gevallen was. 

Toen de ambulance gearriveerd was bleek dhr P. in paniek te zijn omdat hij naar het toilet moest maar niet wist hoe hij dat moest doen. De ambulanceverpleegkundige zag een map van onze organisatie en belde om te vragen of wij bij meneer langs konden komen om hem te helpen. 

Het gebied waarin ik werk is groot en ik was 25 min bij meneer vandaan maar kan direct in de auto stappen. Ik draai de straat in en de ambulance rijdt net weg. Eenmaal binnen tref ik een ietwat onrustige meneer. De jongens van de ambulance hadden hem naar het toilet geholpen vertelt hij, maar het moest allemaal vlug vlug want ze hadden er geen tijd voor. Meneer had daar weinig begrip voor maar ik was blij dat de ambulanceverpleegkundige mijn taak had overgenomen. Ik had namelijk geen idee hoe ik in mijn eentje deze grote zware man op het toilet had moeten krijgen. 

Nu ik iets langer met dhr praat bemerk ik dat hij behoorlijk in de war was. Denkt dat er brand is, ziet vlammen op de muur. Dit is echter de weerkaatsing van de brandende gaskachel. Die zo hoog staat dat ik inmiddels zweetdruppels op mijn voorhoofd heb staan. 

Ik hoor de voordeur opengaan en de zoon van dhr komt binnen lopen.  Ook hij is door de ambulanceverpleegkundige gewaarschuwd. De zoon vertelt me dat zijn moeder die dag is opgenomen in het ziekenhuis. En de hele familie dacht dat pa het wel redde alleen. Niets is minder waar. 

Samen met de zoon kom ik tot de ontdekking dat dhr niet meer zelfstandig kan functioneren door dementie.  Zijn vrouw hield dit al geruime tijd verborgen voor haar kinderen. Ze wilde hen niet tot last zijn en ze dit besparen. Zij deed alles voor haar man van het smeren van zijn boterham, geven van medicatie tot het bedienen van apparaten zoals de kachel en de telefoon. 

Wat nu? Deze meneer kan eigenlijk niet alleen thuis blijven deze nacht en de zoon heeft, wegens kleine kinderen, niet de mogelijkheid om te blijven.  Gelukkig kan ik het verzorgende team in te zetten om 2x een controle uit te voeren bij dhr vannacht. Een noodoplossing maar beter iets dan niets.

Mijn taak zit er hier op en met een gemengd gevoel loop ik naar buiten. Deze man kan niet voor zichzelf zorgen. Er wordt op hem gelet vannacht maar of het voldoende zal zijn….. Ik weet het niet. En dan die zoon. Moeder in het ziekenhuis en vader die niet meer die sterke man bleek te zijn die hij altijd was. Deze nacht zal hem nog lang bijblijven. 



Achter de voordeur

Vorig jaar liep ik wekelijks de krantenwijk van mijn dochter. De voordeuren leken me verhalen te vertellen. Sommige deuren glommen je tegemoet, andere leken echt nooit van het slot te gaan. Ik vroeg me met regelmaat af wat er zich achter zo’n deur afspeelde.

Iemand vertelde me eens dat het de reden was waarom zij in de thuiszorg was gaan werken. Het leven achter de deur werd zichtbaar, verhalen die schrijnend kunnen zijn maar vaak ook ongelooflijk mooi. Ik dacht daar vaak aan tijdens het bezorgen van de kranten. 

Nu heb ik sinds kort een functie waarin ik zowel in verpleeg/verzorgingshuizen werk als in de thuiszorg. Dus ook voor mij wordt nu het leven achter sommige voordeuren zichtbaar. En ervaar nu hoe bijzonder het is om iemands huis in te stappen. De voordeuren krijgen een verhaal. 

In mijn eerste dienst kwam er om 2 uur ‘s nachts een melding binnen. Met adres en sleutel ging ik op pad. Redelijk snel had ik het huis gevonden. Ik loop de tuin in en steek de sleutel in het slot. En dan vanuit de donkere gang hoor ik gegrom en zie de contouren van een grote hond. 

Oh ja dat is waar ook, ik ben een beetje bang van honden. Een detail die ik even was vergeten toen ik laaiend enthousiast aan mijn functie begon. Met knikkende knieën hoorde ik mezelf heel stoer zeggen: “Hallo hond waar is je baasje?” En tot mijn stomme verbazing liep hij voor me uit naar de slaapkamer. 

Wat heb ik achteraf om mezelf gelachen. Inmiddels ben ik vaker bij dit huis geweest en kent de hond mij nu. Soms komt hij kwispelend naar me toe maar meestal tilt hij alleen lui zijn kop op als ik weer eens op een nachtelijk tijdstip de gang in stap. 

En zijn baasje? Die kent mijn naam inmiddels en ik al een klein stukje van zijn verhaal.