Loodzwaar jaar

Vanmiddag las ik in de krant dat er geen geld is voor de beloofde zorgbonus van €500. Het voelt als verraad. Het was zo’n zwaar jaar. Hoeveel meer wil dit demissionair kabinet nog doen om ons zorgmedewerkers in de kou te laten staan?

Afgelopen weken sprak ik een aantal leerling verpleegkundigen. Centraal staat hoe zij het afgelopen jaar in de zorg hebben beleefd. Hoe was het om leerling verpleegkundige te zijn en te dealen met de zorg voor Covid patiënten.

Allemaal zeggen ze dat het goed gaat. Maar ik zie een gelaten houding. Ik zie de pijn in hun ogen. De wallen onder de ogen vertelt mij dat het loodzwaar is geweest. Dus vraag ik verder. Wat heb je meegemaakt? En dan komen de verhalen waarbij ik het moeilijk vind mijn emoties te bedwingen.

“Ik werkte het afgelopen jaar als eerste jaars leerling op een pg afdeling. Dit is een afdeling voor mensen met dementie. Ineens was daar covid. Bijna alle bewoners werden ziek. Collega’s werden ziek, ik niet. Dus stond ik op een gegeven moment bijna alleen op de afdeling. Ik zorgde zo goed mogelijk voor de bewoners maar de een na de ander ging dood. Ik was bang voor mijn werk eigen gezondheid en bang dat ik niet op de juiste manier voor de bewoners zou zorgen. De vraag of ik wel in de zorg wilde werken zat de hele tijd in mijn hoofd. De gediplomeerde collega’s die ook nog werkten liepen zichzelf ook voorbij omdat vooral de emotionele werkdruk enorm hoog was. Dus ik wilde hen ook niet opzadelen met mijn emoties. En als ik heel eerlijk ben ga ik nog steeds gewoon maar door. Tijd voor de verwerking is er nog niet.”

En een derdejaars leerling vertelt: “Ik liep afgelopen jaar stage op een afdeling in een verpleeghuis. Ik kende de bewoners al goed toen Corona uitbrak. Binnen no-time waren alle bewoners besmet met Covid. Ik rende rond als een kip zonder kop in dat hete pak met het ffp masker op mijn gezicht. Ik zag bewoners steeds zieker worden. Ze hadden het zo benauwd. En ik kon ze niet helpen. Kon alleen af en toe een hand vasthouden maar daarna weer verder rennen naar de volgende bewoner. Hopend dat het je lukte hen wat te laten eten en drinken. Maar door de benauwdheid was dat heel erg moeilijk. Ik zag collega’s huilen boven hun maskers. Tijd voor opdrachten was er niet. Vanwege zieke collega’s werd ik volledig op de werkvloer ingezet. Soms stond ik op diensten met alleen uitzendkrachten. Ik was dan de enige die de bewoners kende. Die verantwoordelijkheid drukte zwaar op mijn schouders.”

Ze stopt met praten, ik zie de tranen in haar ogen. Haar gezicht staat somber. Ik vraag haar of ze haar opleiding nog ziet zitten. Ze antwoord volmondig ja maar voegt daar aan toe. Als we nog een keer in zo’n situatie komen als afgelopen jaar stop ik ermee. De zorg is al heel erg zwaar maar met covid niet meer te doen.

Dus als we meer zorgmedewerkers willen opleiden, willen behouden zodat we in het vervolg meer bedden kunnen bemannen neem ons zorgmedewerkers dan eindelijk eens serieus.

De kluts kwijt

Gebogen achter haar rollator loopt ze door de gang. Bang, onrustig kijkt ze om haar heen. Jans is haar naam. Ze woont al een tijdje in dit verpleeghuis op de gesloten afdeling wegens dementie. 

Jans kan niet slapen en loopt dan de gang op, op zoek naar een verzorgende die haar kan vertellen dat alles veilig is, het nog geen ochtend is en dat ze nog even mag slapen. Meestal gaat ze dan terug naar haar kamer maar vandaag is het iets anders. 

Ik vertel haar dat het pas half 5 is en echt nog te vroeg om op te staan. Ze leunt tegen de muur en kijkt me verward aan. “Wat moet ik dan?”, vraagt ze me. “Ga nog maar even terug naar bed Jans”, zeg ik tegen haar. Waarop ze reageert met “ik weet het niet meer, ik ben helemaal de kluts kwijt”.

Nou kom op Jans dan gaan we de kluts zoeken, loop maar met me mee. Ze kijkt me aan en ik zie een lach op haar gezicht verschijnen. Maar Jans dan moet je me wel even vertellen hoe een kluts eruit ziet want dat weet ik niet. Lachend antwoord ze dat ze dat ook helemaal niet weet. Tja dat wordt dan moeilijk zoeken. 

Ik zeg dat het net zoiets is als iemand bij de lurven pakken. Want  waar zitten je lurven? Hierop pakt Jans me stevig bij mijn arm en roept: “Die zitten hier hoor die lurven, voel maar “. Lachend lopen we verder naar haar kamer. 

Ze gaat op haar bed liggen en ik dek haar toe. “Nou Jans ga nog maar lekker even slapen dan ga ik even die kluts zoeken die je kwijt was.” Ze kijkt me vragend aan: “Kluts? Hoe ziet zo’n ding er uit?”

“Ik heb geen idee Jans, maar ik vind het vast voor je. Slaap lekker en tot morgen.” 

  

Gefeliciteerd 

6 uur in de ochtend, het moment waarop het altijd druk is op de afdeling. Sommige bewoners zijn al wakker, lopen rond of proberen zich aan te kleden. Anderen worden door ons wakker gemaakt voor medicijnen of om naar het toilet te gaan. 

Zo ook mevrouw van Laar. Mijn collega vraagt mij om haar even naar het toilet te begeleiden. Een uitdaging want mevrouw wil meestal niet met me mee. Ik moet altijd al mijn talenten en overtuigingskracht uit de kast trekken om haar uit bed te laten komen. 

Maar deze ochtend verloopt dat anders. Ik loop de kamer binnen en knip een lichtje aan. Mevrouw van Laar doet haar ogen open, kijkt naar me en gaat met enige moeite vrijwel direct op de rand van haar bed zitten. Och kind ben je daar al, zegt ze. Wat kom je doen? Ik antwoord met, goedemorgen heb je lekker geslapen? Ze verstaat me niet. Wat zeg je? 

Ik buig me voorover want mevrouw is behoorlijk doof en roep in haar oor. Goedemorgen! Hierop slaat ze haar armen om mijn nek, geeft me een klapzoen op mijn wang en zegt: Kind van harte gefeliciteerd! Wat fijn dat je er bent. Ik lach, bedank haar en meld dat ik niet wist dat ik jarig was. 

Ach nee jij niet! Hij is jarig, wijzend op haar man naast haar in bed. Aha nou u ook gefeliciteerd dan en ik krijg nogmaals een omhelzing en een kus. Mijn dag kan niet meer stuk, zeg ik. 

Ik pak mevrouw bij de hand en ze loopt met me mee naar het toilet. Halverwege stopt ze, kijkt me nog eens goed aan. Fijn dat je er bent hoor kind maar eh wie ben je eigenlijk? Ik vertel haar dat ik de nachtzuster ben en dat het niet erg is dat ze dat niet wist. Ze haalt haar hand langs mijn wang en lacht. 

Mevrouw van Laar vertelt honderduit over de verjaardag die gevierd wordt en dat het zo fijn is dat de kinderen komen helpen. Want ja het is toch best veel werk zo’n feestje. Wie er nu eigenlijk jarig is vandaag dat kan ze me niet vertellen, maar dat ze er heel erg vrolijk van wordt is me duidelijk. 

Omdat het nog vroeg is help ik mevrouw nog even in bed. Ga nog maar even slapen zeg ik tegen haar. Ze komt weer overeind. Het brood moet er nog uit! Ach weet je dat doe ik wel even, dan kun je nog lekker even blijven liggen. Mevrouw geeft me nog een stevige knuffel en zegt: Ik weet wel niet wie je bent maar fijn dat je zo vroeg kon komen. 

Ik vervolg mijn weg op de afdeling, laatste uurtje van mijn dienst, met een glimlach van oor tot oor. 

Contact voor heel even 

Daar zit ze dan, aan tafel bij het raam. Ogenschijnlijk niets aan de hand. Ziet er fit uit voor haar 70 jaar. In haar kamer is het gezellig gemaakt met foto’s van kinderen en kleinkinderen. Tegen de wand staat een antieke klok. 

Onder haar handen ligt een krant. Ze strijkt het glad en verfrommelt de voorste pagina. Dit verraadt haar achteruitgang. Deze zo fit uitziende dame heeft een vorm van dementie. Steeds minder begrijpt ze van de dingen om haar heen. Herkent familie niet meer en weet veel handelingen niet meer uit te voeren. 

Als de verzorgende haar wil helpen met douchen en aankleden begrijpt ze vaak niet het hoe en waarom. De uitleg zegt haar niets meer. Werkt daardoor vaak tegen en zegt dat ze het niet wil. Het is een uitdaging voor de verzorgende om het toch voor elkaar te krijgen dat mevrouw weer netjes in de kleren zit. 

Dementie wat een vreselijke iets is dat toch. Niet meer weten wie de mensen om je heen zijn, niet snappen wat ze van je willen, ook niet als ze het beste met je voor hebben.Argwanend kijken naar wie er nu weer je kamer in komt lopen en je naam kent. 

Ik kom tegen de ochtend bij mevrouw langs om te controleren of mevrouw verzorging nodig heeft. Zoals altijd houdt ze haar dekbed stevig vast. Ik buig me voorover, mijn haar valt voor mijn ogen. Ze lacht en strijkt de lokken uit mijn gezicht. We hebben echt contact voor heel even. Wat een mooi moment. 

En met tegelijk een glimlach en tranen in mijn ogen loop ik zwaaiend haar kamer uit. “Dag hoor!”, zegt ze en zwaait terug. 

  

Dhr P is in de war. Wat nu?

De alarmeringstelefoon gaat. Ik neem op en aan de andere kant van de lijn een ambulanceverpleegkundige. Zij zijn opgeroepen door de buren van dhr P. Deze buren hadden meneer horen roepen en dachten dat hij gevallen was. 

Toen de ambulance gearriveerd was bleek dhr P. in paniek te zijn omdat hij naar het toilet moest maar niet wist hoe hij dat moest doen. De ambulanceverpleegkundige zag een map van onze organisatie en belde om te vragen of wij bij meneer langs konden komen om hem te helpen. 

Het gebied waarin ik werk is groot en ik was 25 min bij meneer vandaan maar kan direct in de auto stappen. Ik draai de straat in en de ambulance rijdt net weg. Eenmaal binnen tref ik een ietwat onrustige meneer. De jongens van de ambulance hadden hem naar het toilet geholpen vertelt hij, maar het moest allemaal vlug vlug want ze hadden er geen tijd voor. Meneer had daar weinig begrip voor maar ik was blij dat de ambulanceverpleegkundige mijn taak had overgenomen. Ik had namelijk geen idee hoe ik in mijn eentje deze grote zware man op het toilet had moeten krijgen. 

Nu ik iets langer met dhr praat bemerk ik dat hij behoorlijk in de war was. Denkt dat er brand is, ziet vlammen op de muur. Dit is echter de weerkaatsing van de brandende gaskachel. Die zo hoog staat dat ik inmiddels zweetdruppels op mijn voorhoofd heb staan. 

Ik hoor de voordeur opengaan en de zoon van dhr komt binnen lopen.  Ook hij is door de ambulanceverpleegkundige gewaarschuwd. De zoon vertelt me dat zijn moeder die dag is opgenomen in het ziekenhuis. En de hele familie dacht dat pa het wel redde alleen. Niets is minder waar. 

Samen met de zoon kom ik tot de ontdekking dat dhr niet meer zelfstandig kan functioneren door dementie.  Zijn vrouw hield dit al geruime tijd verborgen voor haar kinderen. Ze wilde hen niet tot last zijn en ze dit besparen. Zij deed alles voor haar man van het smeren van zijn boterham, geven van medicatie tot het bedienen van apparaten zoals de kachel en de telefoon. 

Wat nu? Deze meneer kan eigenlijk niet alleen thuis blijven deze nacht en de zoon heeft, wegens kleine kinderen, niet de mogelijkheid om te blijven.  Gelukkig kan ik het verzorgende team in te zetten om 2x een controle uit te voeren bij dhr vannacht. Een noodoplossing maar beter iets dan niets.

Mijn taak zit er hier op en met een gemengd gevoel loop ik naar buiten. Deze man kan niet voor zichzelf zorgen. Er wordt op hem gelet vannacht maar of het voldoende zal zijn….. Ik weet het niet. En dan die zoon. Moeder in het ziekenhuis en vader die niet meer die sterke man bleek te zijn die hij altijd was. Deze nacht zal hem nog lang bijblijven.