Alarmknop

Het is 7.25 uur, mijn dienst zit er bijna op als de telefoon gaat. De centralist vertelt me dat er een door een mevrouw op de alarmknop is gedrukt. Er wordt niets gehoord via de spreek/luisterverbinding en ook neemt mevrouw de telefoon niet op. 

Direct weet ik dat ik nog niet naar huis kan en zoek het adres en de sleutelregeling op in het systeem en ga op weg. 

Terwijl ik aan het rijden ben denk ik na over wat er aan de hand zou kunnen zijn. Zo’n alarmknop is er voor als iemand in nood is. Het hangt aan een ketting om iemands hals of als armband om de pols. De persoon die alarmeert kan bijvoorbeeld gevallen zijn of medische hulp nodig hebben. Soms is het loos alarm omdat iemand perongeluk op de alarmknop is gaan liggen en dan schrikt de bewoner enorm als wij ineens in huis staan. 

Inmiddels ben ik aangekomen bij een verzorgingshuis waar de sleutel van mevrouw in de kluis hangt. Kleur en nummer van het label staan in het systeem. En zoeken maar…. Helaas de sleutel vind ik niet. Medewerkers van de dagdienst zoeken met me mee maar ook zij zien de sleutel niet in deze kluis hangen. 

Waarschijnlijk heeft de medewerker, die deze ochtend deze mevrouw op haar planning heeft staan, de sleutel al opgehaald. Na wat heen en weer bellen staan de betreffende medewerker en ik om 8 uur bij mevrouw op de stoep. 

Met de sleutel open ik de voordeur, druk op de deurbel en roep: “Goedemorgen!”. Ik krijg geen reactie. Al roepend loop ik verder het huisje in. Wat zal ik deze keer aantreffen? In de slaapkamer vind ik mevrouw, ze ligt in haar bed.  De alarmknop zie ik met een ketting aan haar rollator hangen. Perongeluk de alarmknop ingedrukt hebben is hierdoor uitgesloten. Maar wat is er dan aan de hand? 

“Goedemorgen mevrouw, u heeft de alarmknop ingedrukt?” “Oh ja goedemorgen, dat klopt.” “Wat is er aan de hand?”, vraag ik. 

Haar antwoord: “Ik wil graag mijn steunkousen aan”.

Verbouwereerd staar ik haar aan. Een foto is niet nodig om een indruk te geven van mijn gezichtsuitdrukking want daar kun je vast naar raden. 

Ook dit is mijn werk! 

  

Knielend voor de brievenbus

De nacht is nog maar net begonnen als ik gebeld word door de alarmeringslijn. Meneer F. heeft op zijn alarmknop gedrukt. Bij de alarmeringslijn weten ze niet wat er aan de hand is maar door de spreek-luisterverbinding hoorden ze meneer om hulp roepen. 

Snel rond ik de zorg af bij de cliënt waar ik op dat moment ben en stap weer in de auto. Na 10 minuten sta ik bij meneer F voor de deur. Ik zoek de code van het sleutelkastje op en loop naar de voordeur. Door mijn zaklampje ziet meneer dat iemand zijn tuin in loopt en ik hoor hem roepen. Ik ga ervan uit dat meneer gevallen is en roep vanachter de deur dat ik er ben en dat ik de sleutel pak om naar binnen te komen. 

Ik druk de cijfers van de code in en doe het kastje open, pak de sleutelhanger en zie tot mijn schrik dat er geen sleutel meer aanhangt. Meteen voel ik een lichte paniek en gaan alle radertjes in mijn hoofd draaien. Wat nu? 

Ik schijn met mijn zaklampje door de brievenbus om te kijken of ik meneer kan zien liggen. Ik hoor hem praten en speur de vloer van de gang af omdat ik in de volle overtuiging ben dat meneer zich daar bevindt. Maar ik zie hem niet terwijl ik hem toch heel dichtbij hoor praten tegen me. 

Waar bent u vraag ik door de brievenbus en schijn met mijn zaklampje richting het geluid. Ruim een meter boven de grond zit meneer in de traplift. Enigszins verbouwereerd vraag ik of de lift het niet meer doet en meneer F. bevestigd dit. Ook de noodknop werkt niet meer. 

Voorzichtig vertel ik meneer dat ik niet naar binnen kan omdat de sleutel ontbreekt. Op de vraag of nog iemand anders een sleutel heeft antwoord hij: “Alleen ikke.” Dat antwoord bezorgt mij een lachkriebel en ik went me even af van de brievenbus. Als ik mezelf weer heb herpakt vertel ik meneer dat ik een oplossing ga bedenken en zo bij hem terug ben. 

Aan de voorkant zijn de ramen afgeschermd met rolluiken en ik loop naar de achterkant. Ook daar rolluiken voor de ramen en de achterdeur is op slot. Een contactpersoon is mij niet bekend dus er zit niets anders op dan de politie om hulp te vragen. Door de brievenbus vertel ik dit meneer en uiteraard is hij dit met me eens. 

De politie is er binnen een paar minuten en als ik de agenten vertel wat er aan de hand is heb ik moeite om mijn lachen in te houden. Wat een bizarre situatie. Agenten en ik in de voortuin en meneer, achter de brievenbus op het stoeltje van de traplift. Ook de agent, die door de brievenbus een praatje maakt met meneer, moet lachen. 

Omdat het geen levensbedreigende situatie is wordt er een slotenmaker gebeld om met zo min mogelijk schade het huis binnen te komen. Dat duurt een half uur voordat deze er is. Ik vertel meneer F. door de brievenbus wat het plan is. En stel hem nog wat vragen om er zeker van te zijn dat het goed met hem gaat. Ook vertel ik hem dat ik veel dingen meemaak maar dat ik dit nog niet eerder heb gezien. Lachend zegt hij: “Ik ook niet. Maar doe rustig aan, ik ga nergens heen.” Dan kan ik mijn lachen echt niet meer inhouden. Die arme man daar achter die deur hoog boven de grond en een verpleegkundige met een zaklampje op haar knietjes aan de andere kant van de brievenbus. Zoiets verzin je toch niet? 

Gelukkig is de slotenmaker echt ontzettend handig en is deur snel open. Meneer F. is zichtbaar ontzettend opgelucht dat we binnen zijn. Maar ja wat nu? De traplift doet echt helemaal niets meer. De stoppenkast wordt gecheckt maar daar zit het euvel niet. Een monteur van het liftbedrijf wordt gebeld maar er kan niet gezegd worden hoe lang het allemaal gaat duren. 

Inmiddels zit meneer al zeker 1,5 uur op dat stoeltje van de lift. Er moet iets gebeuren. Brandweer inschakelen? De agenten gaan in overleg. Dan vertellen ze dat er meerdere collega’s zijn opgeroepen om te komen helpen. Na 5 minuten komen er nog 4 grote agenten binnenlopen en wordt meneer met vereende krachten en enorme handigheid van de lift afgetild. 

Samen met meneer F. wacht ik nog op de monteur die een half uur later binnenkomt. De lift wordt voorzien van nieuwe accu en ja hij doet het weer! De monteur blijft op mijn verzoek nog even wachten tot meneer boven is. 

Ik help meneer, die zichtbaar vermoeid is na dit avontuur, naar zijn bed. En daarna ga ik snel de deur uit op naar de volgende oproep, lachend!  

  
    
 

Kerst

Ieder jaar als ik de kerstboom optuig komt een kerstengeltje van kraaltjes uit de doos. Mooi vind ik hem niet maar het verhaal erachter ontroert me nog steeds. Het neemt me mee naar zo’n 20 jaar geleden toen ik op afdeling neurologie van een algemeen ziekenhuis werkte. 

Werken met kerst vond en vind ik heel bijzonder. Het zijn dagen die je graag met je naasten doorbrengt maar als je bent opgenomen in een ziekenhuis dan zijn de kerstdagen heel anders. Gelukkig wordt er dan veel gedaan op de afdeling. Er staan kerstbomen, het eten is wat uitgebreider en toch nog feestelijk en vaak komt er een koor kerstliederen zingen. 

Zo ook die bewuste dag. 

Op de afdeling is mevrouw S. met Parkinson opgenomen. Ze is in vergevorderd stadium van deze ziekte en kan niet veel meer. Ook haar geheugen laat haar, tot groot verdriet, vaak in de steek. Maar ondanks alles blijft mevrouw positief. 

Het is kerstavond en we brengen de patiënten naar de hal. Sommige in rolstoelen en anderen met bed en al. Het koor staat al klaar en de muziek klinkt al op de achtergrond. Ik sta naast mevrouw P en zing mee met de kerstliederen. Mevrouw probeert mee te zingen. Ik ga op mijn hurken naast haar zitten en pak haar hand. Samen zingen we mee. Mevrouw geniet met tranen in haar ogen. 

Als het koor klaar is breng ik mevrouw terug naar haar kamer. Ze doet haar laatje open en haalt er een kerstengeltje uit. Deze is voor jou, zegt ze. Je hebt nog een heel leven voor je waarin er van alles zal gebeuren. Maar geniet ervan want het is zo kort. Het engeltje zal je beschermen. Ik beloof haar te genieten dit engeltje goed te bewaren. 

En nu 20 jaar later kijk ik naar het engeltje in de boom. Ik denk aan mijn vader die deze kerst geheel onverwacht in het ziekenhuis door moet brengen. Ik heb een kerstboompje naast zijn bed gezet. Zodat het voor hem toch nog een beetje kerst is. 

Het engeltje hang ik in gedachten in dat boompje. En hoop dat het ook mijn vader bescherming biedt deze dagen. En mevrouw S. had uiteraard gelijk toen ze zei dat er vanalles in je leven zou gebeuren. En ik geniet ondanks alle gebeurtenissen volop van dit leven zoals beloofd. 

  

Bedankt voor het lachen

Het is 23.15 uur, mijn dienst is net begonnen en de telefoon gaat. De alarmcentrale vertelt me dat mw De Graaf heeft gebeld omdat het uitkleden haar niet lukt. Ik herken haar naam en adres vanuit de overdracht. Mijn collega is er vanmorgen nog geweest omdat mevrouw was gevallen. 

Ik pak mijn spullen bij elkaar en stap in de auto. 25 minuten later arriveer ik in de straat. En dan is het zoeken naar het juiste huisnummer. Zo’n moment waarop ik me altijd afvraag waarom het niet verplicht is dat huisnummering vanaf de straat goed zichtbaar moet zijn. Uiteindelijk snap ik de nummering en vind ik het juiste huis. Mevrouw zag me blijkbaar al aankomen want ze heeft de deur open gezet. Wat een vertrouwen! 

Binnen tref ik mw De Graaf in de woonkamer. Het is duidelijk dat de val van vanmorgen voor veel spierpijn heeft gezorgd en dan is het ook lastig om broek, kousen en schoenen uit te krijgen. 

Mevrouw voelt zich bezwaard dat ze me moest bellen. Het huilen staat haar nader dan het lachen. Ze verontschuldigd zich meerdere malen. Al vertel ik haar dat ik haar graag help en dat het mijn werk is, mevrouw blijft het allemaal heel vervelend vinden. 

Het valt me op dat ze met haar hand voor haar mond praat en als ik hier iets over zeg krijg ik het antwoord dat ze haar tanden niet in heeft. Ik lach naar haar en vertel haar dat ik alleen maar nachtdiensten doe en dat kunstgebitten mij altijd vanachter het glas gedag zeggen. Mevrouw kijkt me aan en begint te lachen. Eindelijk de spanning doorbroken. Je weet het mooi te vertellen, zegt ze. 

Terwijl ik mevrouw met haar kleding help vraag ik haar naar haar leeftijd. 86 jaar is ze, vertelt ze vol trots. Wat een leeftijd he meisje? Ik antwoord dat ik nog niet eens op de helft zit. Waarop ze zegt, ach voor je het weet ben je 80 hoor, geniet er maar van. 

De televisie moet nog uit maar ze weet niet hoe dat moet. Terwijl ik zoek naar de afstandsbediening vertelt mevrouw: “Ik heb hem net nieuw. Belachelijk toch? Waarom zou je op mijn leeftijd nog zoveel geld uitgeven? Maar ja die andere deed het niet meer dus mijn kinderen vonden dat ik een nieuwe moest kopen. Zo blijft er weinig erfenis voor ze over als ik dood ga.”

Ach maar mevrouw dan is misschien wel minder geld maar dan hebben uw kinderen wel een hele mooie televisie, hoor ik mezelf eruit flappen. Even is het stil maar dan hoor ik vanuit haar bed een schaterlach. Hahahahahahaha, oh meisje dank voor je hulp maar nog meer bedankt voor het lachen. Zo is deze dag toch nog zonnig geëindigd. 

Lachend sluit ik de deur van haar huisje en loop ik terug naar mijn auto. Wat een heerlijk begin van mijn dienst. 

  

Hoe kwetsbaar ben je in de nachtdienst? 

Het is 2.00 uur als ik bij een cliënt de deur weer afsluit. Als ik naar mijn auto loop zie ik in de straat een busje staan. Er zit een man achter het stuur. In de wijk waar ik ben zie je altijd mensen ‘s nachts dus raar vind ik het niet. Ik rijd verder naar de volgende cliënt  een paar kilometer verderop. 

Ook bij die cliënt gaat alles goed en ik vervolg mijn weg nu richting benzinestation. Langs de kant van de weg zie ik een busje staan met de lampen aan. Is dat nou dat busje van daarnet? Of vergis ik me nu? Nee dat zal wel niet, denk ik nog. 

Even later rijdt het busje achter me. Volgt hij me nu? Of zie ik de spreekwoordelijke beren op de weg? Ik rijd naar het benzinestation om even koffie te halen. Echt lekkere koffie hebben ze daar dus als ik in de buurt ben is dat de plek voor een korte tussenstop. 

Het busje volgt maar keert bij het benzinestation en rijdt terug de weg weer op. Hm toch raar, vind ik. Maar niets in mij denkt er aan zich zorgen te maken. Ik krijg telefoon. De volgende cliënt heeft zorg nodig dus ik ga daarheen. Is in een plaats 20 km verderop dus tijdens het rijden tijd voor de koffie. 

Om 3.30 ben ik weer, in de plaats waar ik eerder deze nacht was, onderweg naar cliënt die medicijnen moet hebben. De alarmeringstelefoon gaat, er is een mevrouw gevallen. Ik zet de auto even stil bij een bushalte om de gegevens te noteren. En daar reed ineens dat busje weer voorbij. 

Ik heb niet veel tijd om er over na te denken want ik moet op weg naar de dame die gevallen is. Bij dat adres aangekomen is het onduidelijk hoe ik bij mevrouw binnen kan komen. Dus ik sta op de stoep en kijk om me heen. En daar is ineens weer het busje. 

Zijn raampje is open. Hij roept naar me en vraagt waar de dorpstraat is. Ik heb geen idee. Wat zeg je? Kom eens wat dichterbij? Ja daag ik ben niet gek! Ik doe een stap achteruit, pak mijn telefoon en bel de politie omdat ik geen idee heb hoe ik bij mevrouw binnen kom. 

Ik meld ook dat ik hoop dat ze snel komen omdat een man me lijkt te volgen en ik me daar niet prettig bij voel. Daar is de man weer. “Kan ik je helpen?”, vraagt hij. En nu wegwezen, zeg ik. Ik heb de politie gebeld en die komen me helpen. De man rijdt door. 

Na een paar minuten is daar de politie. En verbijsterd kijk ik achter de wagen van hen. Daar staat het busje, achter de politie aangereden het straatje in. Aan de agent die uitstapt leg ik kort de situatie uit. Haar collega parkeert de auto. Ze loopt op het busje af en vraagt de man wat hij daar doet. Zijn antwoord was dat hij mij hulp aan kwam bieden. 

Doe even normaal. Ik had hem nog nooit eerder gezien dan in de uren hiervoor. Met de agenten loop ik naar de achtertuin waar zij me helpen de woning in te komen en hulp te verlenen aan mevrouw, die enorm blij was met onze komst. 

Terwijl ik zorg verleen loopt een van de agenten naar de voorkant. En ziet daar de man met bus naast mijn auto staan. Toen me dat werd verteld leek het alsof mijn adem werd afgesneden. Wat moet die man van me? De alertheid die ik de hele tijd voelde sloeg ineens om in angst. 

De agenten zeiden bij me te blijven tot ik in de auto zat en veilig weer op pad was. Mijn angst konden ze niet wegnemen. Ook zij vonden de situatie raar. 

Eenmaal weer in de auto onderweg naar de volgende cliënt kwam ineens het besef hoe kwetsbaar we zijn in onze functie. ‘S nachts alleen over straat, ik vind het leuk, spannend, uitdagend en nu ineens ook heel erg eng. Dat komt hard aan en moet even een plekje krijgen maar daarna zal het plezier weer de overhand krijgen. Daar ben ik van overtuigd. 

Beelden 

Het is 1.30 uur als mijn alarmeringstelefoon gaat. Aan de andere kant van de lijn vertelt de centralist mij dat een man van 85 in een naburig dorp heeft gealarmeerd. Hij heeft haar verteld, via de spreek/luisterverbinding, dat hij heel erg benauwd is en hulp nodig heeft.  

Ik noteer het adres, check deze op de alarmeringslijst en stap, nadat ik mijn collega heb verteld dat ik op pad ben, in mijn auto. De navigatie laat me zien dat het 25 minuten rijden is. Dat is best nog een eindje. De centralist van de alarmcentrale vertelde mij dat meneer niet heel erg benauwd klonk dus ga ik er van uit dat het niet nodig is om op dit moment andere hulp in te schakelen en dat ik die tijd heb om er rustig heen te rijden. 

Onderweg bedenk ik de verschillende scenario’s die ik straks kan aantreffen. Meer voorbereiding dan dat is helaas niet mogelijk. Ik ben niet eerder bij deze cliënt geweest en ken zijn naam ook niet vanuit de rapportages. 

Na even zoeken kom ik aan bij een klein oud boerderijtje. Het is er donker maar binnen brand er gelukkig wel licht. Via een zijdeurtje die veel weg heeft van een staldeur kan ik de woning binnen.  Ik open de deur en roep: “Goedenacht, ik ben de verpleegkundige. Waar kan ik u vinden?”

Enigszins verbaasd komt meneer naar me toe lopen. Geheel aangekleed, alsof hij zo op stap gaat. Meneer komt helemaal niet benauwd op mij over dus zal er iets anders aan de hand zijn.  Ik loop met hem mee naar een kleine woonkamer, waar de tijd al 50 jaar stil lijkt te staan. Bijzondere plek zo midden in de nacht. Waan me in een klein museum. 

Meneer vertelt, op mijn vraag waarom hij heeft gebeld, met dat hij benauwd was maar nu niet meer hoor. Maar ja hij was wel heel erg verkouden. Ook daar zie ik geen tekenen van. De man maakt een eenzame indruk en lijkt heel erg blij met mijn bezoek. 

In de map lees ik dat meneer de laatste tijd vaak in de war is. Hij woont alleen, weinig familie en de boerderij ligt afgelegen dus hulp van buren is er ook niet. De eenzaamheid die ik zie bij meneer snap ik dus wel. 

En dan zegt meneer ineens dat er allemaal beelden zijn in zijn kamer. Beelden?, vraag ik. Ja zegt hij beelden je weet toch wel wat dat zijn? Hij vertelt dat er ook een zit bij mij achter op de leuning van de stoel waarop ik zit. Ik kijk om en besef dat meneer beelden ziet die ik niet zie. 

Wat zijn het voor beelden?, vraag ik hem. Mensen, zegt hij, ze praten niet maar veranderen wel eens van kleur. Die mensen zijn in zijn hele huis vertelt hij mij. Ik vertel hem dat ik het niet zie maar dat ik begrijp wat hij bedoelt. De mensen komen telkens weer terug volgens meneer. Ik vraag hem of hij er bang van is. Dat gelukkig niet antwoordt hij mij. 

Jeetje dat deze man hier alleen moet wonen. Lichamelijk is hij voor zijn leeftijd nog fit maar mentaal eigenlijk niet meer in staat voor zichzelf te zorgen. Maar ja meer dan er nu heel even te zijn kan ik niet voor hem doen helaas. 

Ik rapporteer nog in de map wat de reden was voor mijn bezoek en geef meneer als advies naar bed toe te gaan. Hij gaapt en zegt dat te doen maar of dat echt zo is dat weet ik niet. Ik moet verder naar volgende cliënt en zal hem toch echt weer alleen moeten laten. 

Ik zeg meneer gedag en wens hem een goede nachtrust. Door de zijdeur ga ik weer naar buiten en als ik het deurtje dichtdoe achter me sta ik in het donker. Ik knip mijn zaklampje aan en meer dan waar de lichtbundel komt zie ik niet. Meneer zag mensen in zijn huis…. 

Hm ineens hoop ik toch heel erg dat dat inderdaad waanbeelden waren want zo in het donker op het erf voel ik mij niet echt veilig. Ik kijk om me heen maar zie niets dan donker. Ben blij als ik bij mijn auto ben, stap snel in. En dan moet ik om mezelf lachen. Herstel me en rijd naar de volgende cliënt. Weer een ervaring rijker.  
   
 

Gefeliciteerd 

6 uur in de ochtend, het moment waarop het altijd druk is op de afdeling. Sommige bewoners zijn al wakker, lopen rond of proberen zich aan te kleden. Anderen worden door ons wakker gemaakt voor medicijnen of om naar het toilet te gaan. 

Zo ook mevrouw van Laar. Mijn collega vraagt mij om haar even naar het toilet te begeleiden. Een uitdaging want mevrouw wil meestal niet met me mee. Ik moet altijd al mijn talenten en overtuigingskracht uit de kast trekken om haar uit bed te laten komen. 

Maar deze ochtend verloopt dat anders. Ik loop de kamer binnen en knip een lichtje aan. Mevrouw van Laar doet haar ogen open, kijkt naar me en gaat met enige moeite vrijwel direct op de rand van haar bed zitten. Och kind ben je daar al, zegt ze. Wat kom je doen? Ik antwoord met, goedemorgen heb je lekker geslapen? Ze verstaat me niet. Wat zeg je? 

Ik buig me voorover want mevrouw is behoorlijk doof en roep in haar oor. Goedemorgen! Hierop slaat ze haar armen om mijn nek, geeft me een klapzoen op mijn wang en zegt: Kind van harte gefeliciteerd! Wat fijn dat je er bent. Ik lach, bedank haar en meld dat ik niet wist dat ik jarig was. 

Ach nee jij niet! Hij is jarig, wijzend op haar man naast haar in bed. Aha nou u ook gefeliciteerd dan en ik krijg nogmaals een omhelzing en een kus. Mijn dag kan niet meer stuk, zeg ik. 

Ik pak mevrouw bij de hand en ze loopt met me mee naar het toilet. Halverwege stopt ze, kijkt me nog eens goed aan. Fijn dat je er bent hoor kind maar eh wie ben je eigenlijk? Ik vertel haar dat ik de nachtzuster ben en dat het niet erg is dat ze dat niet wist. Ze haalt haar hand langs mijn wang en lacht. 

Mevrouw van Laar vertelt honderduit over de verjaardag die gevierd wordt en dat het zo fijn is dat de kinderen komen helpen. Want ja het is toch best veel werk zo’n feestje. Wie er nu eigenlijk jarig is vandaag dat kan ze me niet vertellen, maar dat ze er heel erg vrolijk van wordt is me duidelijk. 

Omdat het nog vroeg is help ik mevrouw nog even in bed. Ga nog maar even slapen zeg ik tegen haar. Ze komt weer overeind. Het brood moet er nog uit! Ach weet je dat doe ik wel even, dan kun je nog lekker even blijven liggen. Mevrouw geeft me nog een stevige knuffel en zegt: Ik weet wel niet wie je bent maar fijn dat je zo vroeg kon komen. 

Ik vervolg mijn weg op de afdeling, laatste uurtje van mijn dienst, met een glimlach van oor tot oor.